Toen
we van de hoofdopzichtster van de papierfabriek afscheid hadden genomen zei ik
Edith, dat ik die morgen zoveel nieuwe indrukken en wijsgerige zienswijze had
opgedaan, dat ik voorlopig genoeg had, om het geestelijk te verwerken en dat ik
grote behoefte voelde, mijn geest enigen tijd rust te geven door naar iets te
kijken (als het te vinden was), dat in de laatste honderd jaar niet veranderd of
verbeterd was.
Nadat ze zich een ogenblik bedacht had riep Edith uit: "Gevonden, vraag me
niets, ga alleen maar met me mee."
Toen we daarop de weg vervolgden, die ze ingeslagen had tikte ze op mijn arm,
terwijl ze zei: "Laten we ons een beetje haasten."
Nu
was haasten de gewone gang van de negentiende eeuw. 'Haast je wat' was de
meest gangbare zin in de Engelse taal en moest eigenlijk veel eerder de
zinspreuk zijn van het Amerikaanse volk dan: 'E pluribus unum' (een uit
velen). Het was echter de eerste keer, dat een teken van haast indruk op mijn
bewustzijn had gemaakt, sinds ik in het nieuwe millennium leefde. Dit feit met
het tikje van mijn gezellin op mijn arm, toen ze vlugger wilde lopen, was de
oorzaak dat ik om me heen keek en terwijl ik dat deed, plotseling stil bleef
staan.
'Wat
is dat?" riep ik uit.
'Dat is erg," zei mijn gezellin. "Ik probeerde je voorbij te laten
gaan, zonder dat je het zou zien."
En werkelijk, hoewel ik gevraagd had wat voor gebouw voor ons stond, kon niemand
dit beter weten dan ik. Het was echt een raadsel voor me, hoe het hier te midden
van deze prachtige stad van gelijken stond, waar armoede een onbekend woord was.
Ik stond n.l. tegenover een huurkazerne van het ergste soort, recht uit de
negentiende eeuw. Eén van de broedplaatsen van ellende, waarvan het Noord-Einde
en enige van de andere gedeelten van de stad vol waren. De omgeving was echter
in schreeuwende tegenstelling met dergelijke woningen van mijn tijd, toen ze
gewoonlijk omgeven waren door een labyrint van walgelijke steegjes en donkere
vochtige binnenplaatsen, die stinkende verzamelplaatsen waren van bedorven
luchtjes, omgeven door hoge muren, die geen licht toelieten. Dit gebouw stond
alleen te midden van een open plein, alsof het een paleis was, of een of andere
bezienswaardigheid. Maar juist, omdat het zo goed geplaatst was, kwam de zielige
vuilheid van het smerige gebouw des te meer uit. Het scheen een atmosfeer van
somberheid en kilheid uit te wasemen, die door de heldere zon van de frisse
Septembermiddag niet overheerst kon worden. Men zou zich niet verwonderen, zelfs
midden op de dag, geesten voor de zwarte vensters te zien. Er stond een
opschrift boven de deur en ik stak het plein over om het te lezen, terwijl Edith
mij onwillig volgde. Het waren deze woorden, die ik boven de middelste
hoofdingang las: 'Deze woonplaats van wreedheid heeft men behouden als een
waarschuwing voor komende geslachten tegen de heerschappij van de rijken.'
"Dit is een van de spookhuizen," zei Edith die men intact
gelaten heeft, om de mensen er mee af te schrikken ooit weer iets op te laten
komen, waarmee men gevaar zou lopen de oude orde van zaken terug te krijgen,
door iemand onder een of ander voorwendsel toe te staan, een economisch
voorrecht boven een ander te hebben. Ik persoonlijk geloof, dat het beter is het
gebouw te slopen, want er is geen gevaar meer voor een terugkeer van de wereld
naar de oude orde, zoals er ook geen gevaar bestaat dat de aardbol ooit andersom
zal draaien."
Een troepje kinderen door een jonge vrouw begeleid, stak het plein over, toen we
voor het gebouw stonden en ging in een rij door de ingang naar het donkere
trappenhuis. De gezichtjes van de kleintjes stonden zeer ernstig en ze spraken
fluisterend met elkaar.
'Dat zijn schoolkinderen," zei Edith "wij zijn allemaal door dit, of
een dergelijk gebouw geleid, toen we op school waren en de onderwijzeres vertelt
er bij, wat voor dingen daar gedaan en geduld werden. Ik herinner me dat alles
nog heel goed en korte tijd later kwam ik onder de indruk die het op mij gemaakt
had. Ik geloof niet dat het een goed idee is jonge kinderen hier te brengen,
maar het is een oude gewoonte, aangenomen kort na de omwenteling, toen de
bevrijding aan het knechtschap nog vers in de herinnering lag en er nog grote
angst bestond dat door gebrek aan waakzaamheid, de overheersing van de rijken
weer zou worden hersteld".
'Natuurlijk," vervolgde ze, "werd dit gebouw en werden andere
dergelijke, die bewaard gebleven zijn als afschrikwekkende voorbeelden, toen men
de andere met de grond gelijk maakte, grondig gereinigd, verstevigd, hygiënisch
en in alle opzichten veilig gemaakt. Maar onze kunstenaars hebben het oude
voorkomen heel handig nagemaakt, zodat alles vuil en vies lijkt, zoals het was.
Bordjes in de kamers beschrijven hoeveel menselijke wezens er in huisden en de
afschuwelijke toestand, waarin ze leefden. Het ergste is, dat de historische
feiten uit de archieven geput zijn en absoluut waar. Er zijn gebouwen van dit
soort, waar de mensen, die ze in zwermen bewoonden uit was of gips zijn
nagemaakt met alle karakteristieke bijzonderheden van kleding, meubilering en
omgeving, volgens de archieven en schilderijen uit die tijd. Daar is iets
onbeschrijfelijk vreselijks in, om door zulke gebouwen te gaan. De stomme
gestalten schijnen een beroep op je te doen, hen te helpen. Het was lang geleden
en toch krijgt men er gewetenswroeging van, niet in staat te zijn ze bij te
staan. Kom Julius, ga mee. Het was alleen een dom toeval, dat ik je hier voorbij
liet gaan. Toen ik van plan was je iets te laten zien, dat in al die tijd niet
veranderd was, lag het niet in mijn bedoeling, je voor de gek te houden."
Dank zij de moderne vlugge vervoermiddelen, waren we binnen tien minuten aan het
strand van de Atlantische oceaan met zijn ruisende, brekende golven aan onze
voeten en zijn blauwe oppervlakte, die tot aan de horizon reikte. Hier was dus
echt iets, wat niet veranderd was, en een machtig bestaan vormde waarvan duizend
jaren als één dag waren en één dag als duizend jaren. Niets kon mij beter
versterken dan de tegenwoordigheid van deze zich immer gelijkblijvende getuige
van alle aardse veranderingen. Hoe onbeduidend kwam mij nu de streek voor, die
de tijd met mij had uitgehaald, toen ik in de tegenwoordigheid van dit symbool
van eeuwigheid stond, waarvoor verleden, heden en toekomst woorden van weinig
betekenis waren.
Toen ik Edith begeleidde naar dat gedeelte van het strand waar we stonden, had
ik er niet op gelet, waarheen we gingen, maar nu begon ik het strand op te nemen
en bemerkte met hevige ontroering dat ze mij, zonder het te weten, gebracht had
naar de plaats waar mijn zomerhuisje in Nahant gestaan had. De gebouwen waren er
niet meer en de hoge bomen hadden het landschap een heel ander aanzien gegeven.
Maar het strand verliep als vroeger en ik herkende het onmiddellijk. Ik vroeg
Edith, mij te volgen en leidde haar naar een plaats waar een kleine strook van
het strand tussen de zee en rotsmuur, zo gelegen was, dat men niets zien of
horen kon van het land daarachter. In mijn vroeger leven was dit
lievelingsplekje een toevluchtsoord voor mij, als ik naar het strand ging. Hier
was ik gewend in dat langgeleden bestaan, dat ik me herinnerde alsof het
gisteren was, te dromen van mijn jongensjaren af. Elk hoekje van dit gezellige
plekje was mij zo vertrouwd als mijn slaapkamer en alles was even onveranderd.
De zee voor mij, de hemel boven mij, de eilandjes, de blauwe berglanden van de
verafgelegen kust, het hele uitzicht tot in de kleinste kleinigheden was
hetzelfde. Ik wierp mij op het warme zand aan de rand van de zee, zoals ik
gewend was en in eens had de vloed van vertrouwde herinneringen, mij zo absoluut
teruggebracht naar mijn oude leven, dat alle wonderen, die ik beleefd had, toen
ik ze mij voor de geest riep, terug kwamen als fantasieën, die zo vaak op dat
strandplekje in mij opdoken. Maar wat voor een droom was de werkelijkheid van
het heden, waarlijk van de dromen, die ik bij de zee gedroomd had, de
wonderlijkste van allemaal. Er was een meisje in mijn droom. Een zeer
begerenswaardig meisje. Ik zou ziek zijn geworden als ik haar verloren had. Maar
dat had ik niet. Hier stond zij in een vreemde gratievolle klederdracht. Zij
stond naast mij en zag glimlachend op mij neer. Ik had haar door een of ander
groots gebeuren meegebracht uit droomland, haar met de kracht van mijn grote
liefde vastgehouden toen al het andere van mijn visioen oploste bij het openen
van mijn ogen.
Waarom ook niet? Welke jongeling werd in zijn dromen niet geregeld bezocht door
idealen van meisjes, schoner dan die op aarde rondlopen, waarnaar hij dagen
gesmacht had, bezeten door de schoonheid van haar half vergeten gelaatstreken?
Ik, gelukkiger dan zij, heb de wakenden wachter van de poort der dromen
verschalkt en heb mijn koningin van droomland meegenomen. Toen ik Edith volgens deze opvatting haar tegenwoordigheid begon te
verklaren, vond ze het een heel redelijke zienswijze en gingen we er verder mee
door op dit thema te fantaseren. Toen verviel ik in de verwaandheid, Edith een
voorloopster van de vrouw van het nieuwe millennium te noemen, in plaats van te
bedenken dat ik maar een opgegraven overblijfsel van een negentiende-eeuwse man
was, en toen bespraken we verder wat we de volgenden zomer zouden doen.
Voortgaande te doen alsof we in de negentiende eeuw leefden, kwamen wij overeen
de grote badplaatsen te bezoeken waar ze onder de oude omstandigheden (als
voorloopster van de eenentwintigste eeuw) groot opzien zou baren en
tegelijkertijd in de gelegenheid zou komen die type van mensen te bestuderen,
die aan haar moderne geest wonderlijker zouden schijnen dan zij aan hen.
Namelijk mensen, die omgeven door een wereld van ellende en angst, willens en
wetens zich daarin schikten, gelukkig in een lichtzinnig en verkwistend
nietsdoen. Dan zouden we naar Europa gaan en die dingen onderzoeken, die
natuurlijk rariteiten zouden zijn voor een meisje uit het nieuwe millennium,
zoals een Rothschild, een keizer, enige soorten van menselijke wezens, waarvan
sommige nog in Duitsland, Oostenrijk en Rusland bestonden, die eerlijk
geloofden, dat God aan zekere medemensen het heilige recht gegeven had, om over
andere medemensen te heersen.