Hoe pseudo-geld Europa verstikt
Door R.M. Brockhus
Stichting VOC
Aan de leden van de Tweede Kamer
Binnenhof 1a
2513 AA 's-Gravenhage
en de overige leden van de Staten Generaal
Uw ref.: grondwet Onze ref.: R/B Huizen, 10 maart 1987.
VIA SALARIS NAAR INLEVEREN EN RECESSIE
Door de structuurverandering in de circulatie van het geld is er
gedurende de omschakeling van weekloon naar maandloon, en ook daarna,
onder uw verantwoordelijkheid een grote schade toegebracht aan
onze economie. Ook de vakbeweging gaat niet vrijuit. Door niet op
te letten is er een gigantische schade toegebracht aan de positie
en de werkgelegenheid van de werknemers. Met als afgeleid gevolg,
grote schade aan de financieringsgrondslag van het bedrijfsleven.
Vóór de omschakeling naar het salarissysteem had de
loonsom een historische circulatiesnelheid van 52 keer per jaar (weekcyclus).
Het geld creëerde 52 maal per jaar werkgelegenheid, koopkracht en
belastingopbrengsten voor de staat. Maar ná de omschakeling naar
het salarissysteem was dat nog slechts 12 keer per jaar 't geval.
Om voor de hand liggende redenen diende er voor de vertraging in
de functie van het geld een door geldschepping vier maal zo grote
hoeveelheid geld in circulatie gebracht te worden vanwege de
salarisfunctie. Dit als noodzakelijke compensatie voor het verlies aan
omzetsnelheid. Noch het parlement, noch de vakbeweging heeft deze
onvermijdelijk compensatie verlangd van de Nederlandsche Bank NV,
gekoppeld aan een negatieve belastingaanslag voor de omgeschakelde
werknemers.
De verantwoordelijkheid van de vakbeweging ligt in het gegeven,
dat men er mee akkoord ging, dat de lonen later uitbetaald gingen
worden, en hierdoor de werknemers 6 % van het jaarinkomen moesten
inleveren. Dat gebeurde door de voorschotten gedurende een half
jaar terug te laten betalen aan de werkgevers. De vakbeweging had
dit voorstel in alle naïviteit aanvaard, omdat het jaarinkomen
toch gelijk bleef. De werknemers leverden gemiddeld netto f. 2800
aan besteedbare koopkracht in, terwijl zij de volledige belasting
over het inkomen wel moesten betalen. Bij elkaar leverden de
werknemers 14 miljard gulden aan koopkracht in als investering in
het maandloonsysteem (koopkracht van 1996).
De verantwoordelijkheid en de aansprakelijkheid (wettelijk ?) ligt
hiervoor bij De Nederlandsche Bank, het parlement, overheid,
vakbeweging en wetenschappelijke instellingen, die stuk voor stuk
hebben zitten slapen bij een zó grote fundamentele verandering
in de geldcirculatie. De hieruit volgende uitval van bestedingen
veroorzaakte een omzetdaling van ook weer 14 miljard gulden in het
bedrijfsleven (van grondstof tot eindproduct), hetgeen ook weer 14
miljard aan werkgelegenheid kostte. Zodat 200.000 mensjaren aan
productie en welvaart wegvielen. Hierdoor miste de schatkist meer
dan 7,5 miljard aan belastingopbrengsten, waardoor de staatsschuld
evenzoveel en onnodig groeide. Als gevolg van de weggevallen werkgelegenheid
moest er nu ook nog voor 200.000 mensjaren aan uitkeringen voor werkloosheid
betaald worden, zodat de schade nog opliep tot ruim 15 miljard. Hierover
moeten de belastingbetalers ook nog wat rente betalen, zodat deze
blunder ons al gauw 25 miljard gulden gekost zal hebben.
In het bewustzijn dat behalve bij DE NEDERLANDSCHE BANK N.V. deze
schade nauwelijks verhaalbaar zal zijn, hebben wij op 14 november
1986 aan de Rechtbank van Amsterdam hieromtrent advies gevraagd.
Misschien dat de burgers electoraal nog enige "genoegdoening" bij
de verkiezingen kunnen krijgen. Maar dat hangt weer geheel af van
de in de grondwet gewaarborgde persvrijheid.
R.M. Brockhus (voorzitter)
Stichting VOC
E-mailadres: sdn@planet.nl
Site-adres: sdnl.nl
Westkade 227
1273 RJ Huizen NL
Telefoon 035-5244141
p.s.
De omschakeling van het weekloon naar het maandloon voor 90% van de werkende bevolking in de jaren tussen 1966 en 1976 is slechts één van de 10 grootste structuurveranderingen in het circulatiepatroon van de geldomloop. Met name de aansprakelijkheid van de vakbeweging welke hier nadrukkelijk naar voren komt, geldt in mindere mate voor de overige onderdelen van verandering in
de monetaire structuren, onder invloed van de automatisering van de administratie door het gebruik van computers.
Deze veranderingen zijn o.a.:
- Invoering van de BTW-belasting
- Toename van het girale betalingsverkeer.
- Vervroegde incasso via termijnnota's van belastingen en premies. Van gas, water, huur en elektra, alsook van de abonnementen en garantiesommen (GAK-DETAM)
- Explosieve groei van de staatsuitgaven in verhouding tot het Bruto Nationaal Product en de beschikbare geldmassa.
- Omschakeling van kontante betaling naar de betaling op rekening tussen de bedrijven. (debiteurenfinanciering)
- Uitbreiding van de sociaal-culturele activiteiten, zoals kunst, maatschappelijk werk, sportactiviteiten, lotto en toto, betaald voetbal, wetenschappelijk onderwijs en de medische verzorging.
- Toename van het vakbondswerk, particuliere verzekeringen en pensioenvoorzieningen in verhouding tot het reële BNP.
- Toename van het zwart-geldcircuit.
- Omvorming van maatschappelijk 'eigen vermogen' door het nu nieuwe sparen van de massa naar 'vreemd vermogen', dat als risicomijdend kapitaal onttrokken bleef aan de werkgelegenheid en de productie.
- Export van kapitaal, waardoor het rentepeil omhooggedrukt werd voor de binnenlandse markt, waardoor het prijspeil steeg en een "pseudo-inflatie" ontstond.
Als tovenaarsleerling van Henk Bor, de ontdekker van de weeffout in de monetaire politiek die werd gepubliceerd in zijn boek in 1981 "Goodbye Money", hebben Henk Bor en Rob Brockhus in juli 1981 het rapport persoonlijk aangeboden aan Wim Kok, toen nog voorzitter van de FNV en aan Chris van Veen de voorzitter van het VNO. (Beide heren waren niet aanwezig.)
Later gaf Henk Bor een lezing over het ontstaan van de economische crisis ten huize van Wim Sweers, de voorzitter van de Stichting Grondvest een lezing op video. Het maatschappelijk belang hiervan is nauwelijk te overzien. Henk Bor, die nog steeds zijn kennis aanbiedt via zijn organisatie CMN verdient zeker de Nobelprijs voor economie voor zijn analyse van de structuurveranderingen in de geldomloop. Hij toonde aan dat de wereldwijd gehanteerde formule tegen de inflatie van Irving Fisher uit 1911 onvolledig was. Het artikel 'Geld het DNA van de Economie' geeft een goed beeld van de noodzakelijke aanpassing van die beleidsformule.